Samenwonen met nieuwe partner is meestal geen reden voor beëindiging alimentatie.

Samenwonen met nieuwe partner is meestal geen reden voor beëindiging alimentatie.

In het Burgerlijk Wetboek is in artikel 160 van boek 1 (1:160 BW) bepaald, dat de aanspraak op alimentatie eindigt, als diegene die alimentatie ontvangt (alimentatiegerechtigde) met een ander in het huwelijk treedt, of een geregistreerd partnerschap aangaat, of als de alimentatiegerechtigde met de ander gaat samenwonen “als waren zij gehuwd”.

echtscheiding, alimentatie

‘samenwonen als waren zij gehuwd’

Als de ex partner opnieuw in het huwelijk treedt of een geregistreerd partnerschap is aangaat is dit natuurlijk eenvoudig aan te tonen. Echter, van ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ is niet snel sprake, zoals blijkt uit de lijn die de Hoge Raad hierin volgt.

Vanwege het uitzonderlijke en definitieve karakter van de beëindiging van de alimentatieaanspraak, mag namelijk niet te snel worden aangenomen dat er sprake is van “samenwonen als waren zij gehuwd” en dat daarmee is voldaan, aan de eisen voor de beëindiging van de verplichting tot alimentatiebetaling

 

Samenwonen met (nog) gehuwde partner

In een recent arrest van de Hoge Raad was er sprake van een bijzondere situatie. De alimentatiegerechtigde vrouw, woonde samen met een  nieuwe partner, die zelf nog gehuwd was. (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058)

 

Verzoek afgewezen

De man verzocht, in eerste instantie, de rechtbank, om de alimentatieverplichting stop te zetten omdat, volgens hem, zijn vrouw en haar nieuwe partner “samenwoonden als waren zij gehuwd”. Omdat de nieuwe partner van de vrouw echter zelf nog getrouwd was, zag de rechtbank hierin reden om het verzoek van de man af te wijzen.

Hoger beroep

De man neemt geen genoegen met deze uitspraak van de rechtbank en gaat in hoger beroep. Het hof stelt de man in het gelijk en laat hierbij meewegen dat het huwelijk van de nieuwe partner opzettelijk in stand zou worden gelaten om de alimentatieaanspraak te behouden.

 

Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt echter dit oordeel. De Hoge Raad stelt voorop dat “het samenleven met een gehuwde partner niet valt onder art. 1:160 BW zolang diens huwelijk voortduurt.” Het feit het huwelijk van de ander in stand wordt gelaten, met de bedoeling ervoor te zorgen dat er nog steeds aanspraak op alimentatie kan worden gemaakt, verandert hier volgens de Hoge Raad niets aan!

De Hoge Raad is van mening dat wanneer deze omstandigheid wel zou worden betiteld als “samenwonen als waren zij gehuwd” dit tot gevolg zou hebben dat art. 1:160 BW  van toepassing zou zijn. Dit zou dan weer leiden tot het ingrijpende gevolg dat de alimentatieplicht definitief komt te vervallen. De positie van de alimentatiegerechtigde vrouw ten opzichte van haar nieuwe (nog gehuwde) partner, verschilt echter wezenlijk van die in een huwelijk, aldus de Hoge Raad. (De nieuwe partner is immers nog gehuwd).

 

Conclusie

De lijn van de Hoge Raad is duidelijk: Het samenwonen, met een gehuwde partner, kan niet worden aangemerkt als “samenwonen als waren men gehuwd” en valt dan ook niet onder het bereik van art. 1:160 BW. Dit houdt in dat deze vorm van samenwonen dan ook geen grond is voor de beeïndiging van de alimentatie. De omstandigheid dat een huwelijk, van de nieuwe partner,  louter en alleen in stand wordt gehouden, om de alimentatieaanspraak te behouden, maakt dat niet anders.

 

Meer informatie?

Mocht U vragen hebben met betrekking tot bovenstaande, of mocht U zich met een ander juridisch probleem geconfronteerd zien. Neem dan vrijblijvend contact met ons op: 0475 419 419, of stel uw vraag, middels onderstaande button.

 

Stel uw vraag!